Een vierend bestaan

Bidden tegen het vagevuur

Als kind tussen 10 en 12 jaar, heb ik me te pletter gebeden voor de zielen in het vagevuur. Om hen te bevrijden, zodat ze niet langer moesten afzien en uiteindelijk naar de hemel konden gaan. Allereerst bad ik voor mijn overleden familieleden. Dat was nodig want ze hadden, voor zover ik dat op dat moment kon inschatten, niet veel aan godsdienst en geloven gedaan en zouden zeker nooit rechtstreeks naar de hemel kunnen.

Daarna bad ik ook voor al die mensen die ik niet kende maar die door hun naasten misschien vergeten waren en als niemand voor hen bad, ja dan zouden ze wel in het vagevuur blijven. Dat was onmenselijk. Onrechtvaardig ook.

Deze tweede gebedsintentie was eigenlijk al een beetje problematisch. Want wie zou er nu kunnen nut hebben van mijn gebeden als er geen duidelijke bestemmeling was? Hoe zou dat verrekend worden? Bij wie zou dat afgetrokken kunnen worden van de tijd dat ze in het vagevuur moesten lijden? Dat was onduidelijk.

Zich verbinden

Het is bon ton om over deze manier van bidden een beetje smalend te doen. Dat wil ik uitdrukkelijk niet doen. Zich verbinden met wie overleden is, zich verbinden met het lot van onbekende mensen die misschien erg lijden, is niet iets om meewarig op terug te kijken.

God als boekhouder

Bovendien kwam ik precies door deze oprechte devotie er al snel achter dat de idee van God als een soort boekhouder, die exact bijhoudt hoeveel, voor wie, wat, gebeden wordt, dat deze voorstelling niet klopt. Een God die mensen kunnen beïnvloeden, wiens beslissingen gestuurd kunnen worden, ja zelfs naar onze hand gezet door enkel maar voldoende te bidden, dat vond ik echt beneden alles. God-onwaardig en -onwaar.

Verweesd

Ondertussen bad ik vanuit een verpletterend verantwoordelijkheidsgevoel voor al die lijdende zielen toch maar dapper door. De daden volgen niet altijd logisch op de inzichten. Alhoewel ik God steeds minder interessant vond: wat een ijdeltuit die gepaaid moest worden met gebeden.

Het werd steeds duidelijker: dit kan niet. Zo’n God bestaat niet. Uiteindelijk is dat bidden gestopt. Een veilige connectie met de overledenen viel weg en van God hield ik alleen over wat hij NIET was.
Dat is wel erg weinig en gaf een gevoel van verweesd-zijn. Een kilte. Een soort eenzaamheid ook.

Omkering

Enkele jaren later hoorde ik Ward Bruyninckx zeggen: ‘Godsdienst: dat hebben we nog altijd niet goed begrepen. Dat is Gods dienst aan de mensen. Het is God die de mensen dient. Mochten we dat begrijpen.’

Het duurde even alvorens ik mee was met wat hij zei. Het leek zo’n vreemde gedachte dat ik er mij niets bij kon voorstellen. Het heeft nog heel lang geduurd alvorens ik de draagwijdte en de betekenis van die omkering kon invoelen. Het zette alles op zijn kop en bleek steeds duidelijker richtinggevend te worden in mijn zoektocht. Een God die mensen dient.

Uiteindelijk zal het wellicht een valse tegenstelling blijken om te spreken over: ‘God die mensen dient versus mensen die God dienen. ’Maar de omkering in beleving was destijds gigantisch en ervaar ik nog altijd als fundamenteel.

Een vierend bestaan

Er kwam ineens ruimte voor dankbaarheid, voor een vierend bestaan. Ik krijg van alles, ik mag open komen tot een leven waarin ik alles wat mij gegeven is, mag zien, horen, ruiken, smaken. Waarin ik niet enkel uitsluitend verantwoordelijkheden heb. Ontdekken, leren zien hoe God dient. Naast de verontwaardiging en de inzet voor een beter samenleven, mogen verwondering en dankbaarheid ontluiken, worden groeikansen zichtbaar.

De ontgoocheling om wat mensen mekaar aandoen, de woede om zo ongelooflijk veel onrecht zijn gebleven. Het gaat er echter om ellende te zien én betere perspectieven op het spoor te komen, om pijn én zorg te herkennen, om tegenslagen én leermomenten te ontwaren, om onrecht én solidariteit te onderkennen, om onmacht én veerkracht te ervaren Beide gebeuren en zo houden we de hoop levendig dat een betere toekomst op elk moment kan beginnen.

Het contrast leert ons kijken met andere ogen: steeds weer bedreigde schoonheid, nauwelijks zichtbare tekens van een liefde die van hand tot hand in kleine gebaren doorgegeven worden.

Verbinden als netwerk

Wellicht is het ook dat wat gebeurt wanneer we een kaarsje aansteken voor iemand die een moeilijke tijd doormaakt. Of wanneer we aan iemand voor wie we niets kunnen doen zeggen: ik zal aan je denken. Dan verbinden we ons in onmacht en botsen op grenzen, solidair met anderen. En dragen we in machteloze gebaren mekaar als in een netwerk over een afgrond gespannen, zoals een Oosterhuislied (Het lied van alle dagen) het zingt.

Verbinden als vertrouwen

Het is vertrouwen op de kiemkracht van het gekwetste en kwetsbare van deze planeet en al haar bewoners. Vertrouwen in God, het onkenbare mysterie van leven. Wellicht is God zelf de meest kwetsbare van allen? Zoals Etty Hillesum schrijft: “Dit ene wordt me steeds duidelijker: dat jij ons niet kunt helpen, maar dat wij jou moeten helpen en door dat laatste helpen we onszelf. Dit is het enige, wat we in deze tijd kunnen redden en ook het enige waar het op aankomt: een stukje van jou in onszelf, God. En misschien kunnen we ook meewerken jou op te graven in de geteisterde harten van anderen.”

(Viering 9 maart 2014)

Dominicus Gent

Dominicus Gent

Bekijk alle berichten

Voeg commentaar toe

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Abonneer u op de nieuwsbrief van Bijlichten

Schrijf nu in

* indicates required