Een merelgedicht

Omdat ik al een tijd de merels mis, dit gedicht. Zijn ze weer ziek? Of depressief, zien ze de wereld niet meer zitten? Of is het te warm om nog te zingen.

St Kevin en de merel (Seamus Heaney)

En dan is er nog St Kevin en de merel.
De heilige knielt, zijn armen uitgestrekt, in
Zijn cel, maar de cel is smal, en daarom
Steekt een handpalm, open naar boven, uit het raam,
Stijf als een dwarsbalk, en een merel landt
En legt er een ei in en gaat zitten broeden.
Kevin voelt de warme eieren, de dunne borst,
Het ingehouden fijne hoofdje en de klauwen, en,
Op die manier verwikkeld in een netwerk van eeuwig leven,
Loopt hij vol medelijden: nu zal hij zijn hand
Als een tak in zon en regen moeten houden, wekenlang,
Tot de jongen uitkomen en groeien en wegvliegen.
En omdat dit alles toch verbeelding is,
Verbeeld jezelf even Kevin. Vergeet hij nu zichzelf,
Of lijdt hij de hele tijd pijn,
Van zijn nek tot aan zijn stekende voorarmen?
Slapen zijn vingers? Voelt hij zijn knieën nog?
Of kroop de dodeogenblindheid van onder de aarde
Al in hem op? Is er verte in zijn hoofd?
Alleen en helder weerspiegeld in de diepe rivier van Liefde,
Bidt hij: “Werk en zoek geen beloning”,
Een gebed dat nu zijn hele lichaam bidt,
Want hij is zichzelf vergeten, de vogel vergeten,
En op de rivieroever de naam vergeten van de rivier.

Dit is een geweldig gedicht. Mind blowing, doet mijn koppie ontploffen. Het blijft maar nieuwe vragen oproepen. Ik zet een en ander op een rijtje. Ten eerste die Keltische eremieten. Straffe mannen, of hoe noem je kerels die in zo’n kleine cel van opgestapelde stenen gaan wonen op de verlaten eilanden en rotsen aan de westkusten van Ierland (Skelling Michael) en Engeland, omringd door een oneindigheid van water en lucht en wolken en verten, die hen moeten helpen een nog grotere oneindigheid te vinden? Ik probeer mij iets voor te stellen van de hardheid van dat teruggetrokken leven. Ik probeer mij iets voor te stellen van hun verlangen, dat blijkbaar nog harder en groter was.

Het gedicht veronderstelt dat je daar al over gedacht hebt als je begint te lezen. Over die Keltische zoekers. Over die voorbeelden van een geloof dat vandaag niet meer voor te stellen is. Ik ken weinig gedichten die beginnen als een soort gedeelde mijmering, als het hernemen van de conversatie na een lange, gedeelde stilte, waarin samen werd nagedacht: neem nu bijvoorbeeld Sint Kevin…

Want het is nogal wat waarover we nadenken. Bijvoorbeeld dit onvergetelijke beeld van een man in zijn te kleine cel, die toch zichzelf via zijn armen helemaal open wil zetten. De grote lucht in die kleine cel. En knielt op de grond, dichter kan je bij het grootste lichaam van al, de aarde, niet komen. Knielen alleen al is bidden. En dan die open handpalm, waar net een nest in past, het is een beeld om eindeloos naar te kijken. En Kevin die via die handpalm het hele geheim van leven lijkt kunnen voelen: warm, dun, ingehouden fijn… Een heel netwerk van eeuwig leven, zegt Heaney. Eeuwig omdat het maar doorgaat, seizoen na seizoen, desnoods in een open mensenhand. En in dat netwerk ook diep medelijden voelt met dat eeuwig doorgaande leven. Zonder die diepe verbondenheid is dat eeuwige leven niet mogelijk.

Maar even de scène schetsen is niet genoeg, zegt Heaney. Denk daar maar even over door, zegt hij, anders is dit weer het zoveelste vermakelijke verhaaltje dat zo vlug weer verdwijnt tussen de andere vermakelijke verhaaltjes. Wat is dat toch, wat hij in de inleiding op zijn gedicht (in een youtube op internet) “doing the right thing for the reward of doing the right thing” noemt?

Is het een kwestie van uithouding in het lichaam? Van pijn verdragen? Of is er iets groters werkzaam in ons, als wat moet gedaan worden ook gedaan wordt? Werk en zoek geen beloning, zei Ignatius van Loyola, de stichter van de jezuïetenorde. Maar het is geen vrome gedachte meer. Zijn hele lichaam bidt nu. Zijn grote moeheid bidt nu. Zulk bidden vergeet van zichzelf dat het bidden is. Is er enkel nog weerspiegeld in de diepe rivier van Liefde.

Sjonge, dat een dichter vrijmoedig uitkomt bij zo’n groot woord Liefde, met hoofdletter, enkel omdat iemand een paar vogeljongen leven wil gunnen. Ik zei het al, mind blowing, dat grote zelfvergeten, dat verdwijnen, gespiegeld door Liefde. Maar je hoeft niet ver te zoeken om het te zien: imagine being Kevin. Er zijn er overal en altijd die hun handpalm open blijven houden…

*

“The form of the poem is crucial to poetry’s power to do the thing which always is and always will be to poetry’s credit: the power to persuade that vulnerable part of our consciousness of its rightness in spite of the evidence of wrongness all around it, the power to remind us that we are hunters and gatherers of values.” Heaney in zijn Nobelprijsspeech

 

Guido Vanhercke

Guido Vanhercke

Bekijk alle berichten

Voeg commentaar toe

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Abonneer u op de nieuwsbrief van Bijlichten

Schrijf nu in

* indicates required