Uitrekken
Deze zomertijd lijkt de avond veel langer uit te rekken. Het is negen, half tien, en nog blijft het licht hangen. Dat is best wel prettig, zo’n langgerekte avond. Dan valt hij niet meer, maar schuift voorzichtig een stoel bij en begint mee te babbelen en te drinken. Dat is mij liever dan in herfst en winter te moeten constateren dat om vijf, zes uur iedereen al zijn schop heeft afgekuist en naar huis is.
Tussenperiode
Ik hou van schemering, die tussenperiode tussen de felheid van daglicht en het donker van de nacht. Liefst een lange schemering, zoals nu. Ik zie dan wel weer hoe de dingen gemaakt zijn om te veranderen, maar die verandering is boeiend schouwspel geworden. Is dat de leeftijd? Als jonge gast kon die schemering mij rot melancholisch maken. Ik zag in de vooravond al die lichten aangaan achter de vensterramen, ik zag al die mensen die thuiskwamen en voelde mij plots heel erg verloren. Maar die gekweldheid ben ik kwijt. Zullen we zeggen dat ik geleerd heb erbij te horen? Toe te kijken en te luisteren, en mee te genieten waar dat kan? Dat mogen wachten, dat kunnen wachten, dat vind ik prettig nu. De lucht is bezig met zijn kleurdoos. Ergens zit een merel koelte te slurpen op een manier zoals hij dat alleen kan. Mensen lopen voorbij. Er zijn kleine wind- en tochtvlagen. Ik merk dat mijn huid dingen waarneemt die mijn ogen niet kunnen zien.
Er is veel gaande, zegt de uitdrukking, en ik mag mee gaan, al zit ik stil.
Wachten
Een mooi woord, schemeren. Gezelle sprak van deemsteren, ook een mooi woord. Die tussentijd, dat er iets beweegt en toch niet beweegt, die vind ik ook in staren, en soezen, en wachten. Uit het raam staren, staren in een groot stationsgebouw met veel passanten, staren in de bus die de kunst verstaat om de wereld onder zijn wielen weg te duwen, terwijl hijzelf lijkt te heupwiegen. Soezen na de middag, als de bladeren volle zwarte schaduwen werpen op de vloer van de living, wellicht de eerste notities voor een nieuw ballet. Soezen ’s nachts, tussen twee droomsessies door, en hele zinnen laten passeren in je hoofd. Soezen, spinnen van welbehagen na een goed gesprek. En wachten, ach wat is wachten anders dan kleine gaatjes maken om te laten vollopen met wat zich wil aandienen, en de wereld loopt zo makkelijk over.
Schemervroeger
Kan het dat men vroeger meer hield van schemeren? Toen ik klein was, liet men het donker groeien in de woonkamer, er werd pas een lamp (een TL-lamp…) aangestoken als het echt wel nodig was, om nog je bord te zien staan op tafel. En ’s morgens werd in schemerduister ontbeten. Wat zegt dat over toen en nu? Dat de mensen toen dichter bij de grote beweging van de wereld stonden? Dat ze er niet bang voor waren? Dat ze makkelijker mee bewogen met die ritmes? En maakt dat schemerleven en -denken je lijdzamer? Of net innerlijk sterker?
Als ik moet kiezen tussen de politicus die zegt dat de maatschappij ons “impacteert” en de schemering, dan weet ik het wel. Een lelijk bastaardwoord dat niets zegt, of een bijna lichamelijk woord, dat leert dat niets blijft en alles toch terugkomt…

Voeg commentaar toe